Cholesterol

  • Als men het over de vettenbalans heeft, gaat het in eerste instantie over het totale cholesterolgehalte, de triglyceriden en het HDL-cholesterolgehalte. Aan de hand van dat laatste kan men het LDL-cholesterolgehalte berekenen, en dat is een oorzakelijke factor voor atherosclerose; HDL-cholesterol is daarentegen een beschermende factor.
  • Men kan niet spreken over een welbepaald cholesterolgehalte waardoor iemand een risicopersoon wordt. Men dient het geheel van afwijkingen wat vetten betreft én van de andere risicofactoren (hoge bloeddruk, roken, diabetes, zwaarlijvigheid,…) samen te bekijken om het globale hart- en vaatrisico van de patiënt te beoordelen en hem zo doeltreffend mogelijk te behandelen.
  • De medische wereld beschikt over degelijke middelen, die op Belgische gegevens berusten, om het globale hart- en vaatrisico in te schatten.
  • Binnen de groep van 35- tot 84-jarigen (ongeveer 5.500.000 mensen) zijn er circa 1.700.000 mensen bij wie het risico dat ze binnen de tien jaar een ernstige cardio- of cerebrovasculaire aandoening krijgen meer dan 15%. Voor 350.000 onder hen is het risico al groter dan 30%.

Het cholesterolgehalte zonder meer is maar een cijfer

Cholesterol is een vet (lipide) dat onmisbaar is om in leven te blijven. Het is een van de belangrijkste bestanddelen van onze celmembranen en onontbeerlijk voor de aanmaak van tal van hormonen. De cholesterol in ons bloed is gedeeltelijk afkomstig uit voeding (30%) en voor de rest (70%) van de cholesterolvoorlopers die onze lever in aanzienlijke hoeveelheden aanmaakt.

Goede en slechte cholesterol: vooral slecht taalgebruik

Allicht hebt u ook al gehoord over “goede” en “slechte” cholesterol. In feit gaat het om een onterecht onderscheid. Er bestaat namelijk maar één soort cholesterol, en die is goed noch slecht. In werkelijkheid komt cholesterol in het bloed vrijwel niet in vrije vorm voor maar altijd in verbindingen met transporteiwitten die men apoproteïnen noemt. Door de verbinding tussen een apoproteïne en een lipide ontstaat een lipoproteïne, die de lipide oplosbaar maakt in het bloed. Twee lipoproteïnen zijn van bijzonder belang als het om cholesterol gaat: lipoproteïnen met lage densiteit (LDL) en lipoproteïnen met hoge densiteit (HDL).
De LDL dienen hoofdzakelijk voor het transport van cholesterol uit de lever naar de andere organen. De cholesterol die aan LDL gebonden is (LDL-c) kan dan ook afgezet worden in de bloedvaten – vandaar zijn reputatie van “slechte” cholesterol. Eenmaal afgezet in de bloedvaten draagt hij immers bij aan het ontstaan of de uitbreiding van atheroomplaque, en daarom noemt men LDL-c ook atherogeen. Wanneer een atheroomplaque scheurt of breekt, draagt dat bij tot de vorming van klonters, die op hun beurt aan de basis kunnen liggen van een infarct of beroerte.
De HDL daarentegen dienen hoofdzakelijk om overtollige cholesterol uit het lichaam (en dus ook uit atheroomplaque) af te voeren en terug te brengen naar de lever voor recyclage. Aan HDL gebonden cholesterol (HDL-c) wordt dus gerecupereerd en geniet dus de reputatie van “goede” cholesterol, die bescherming biedt tegen atherosclerose.
Aangezien LDL-c de oorzakelijke factor van atheromatose is, moet dat gehalte in de eerste plaats naar beneden. Directe meting van de LDL-c is moeilijk: doorgaans wordt de hoeveelheid LDL-c bepaald door berekening op grond van het totale cholesterolgehalte, de HDL-c en de triglyceriden (een andere lipidenvorm), die wel gemakkelijk te meten zijn.

Cholesterol verlagen: bij wie?

Bij mensen die reeds een accident achter de rug hebben (secundaire preventie) gebeurt de beheersing van LDL-c volgens precieze en strikte normen, zeer vaak met aangepaste voeding en geneesmiddelen. Binnen de primaire preventie (voor mensen die nog geen accident hadden) bestaan dergelijke strikte normen niet en bepaalt de berekening van het globale risico hoe belangrijk een daling van het cholesterolgehalte is. Globaal genomen gaat men ervan uit dat het cholesterolgehalte bij volwassenen < 2 g/l zou moeten zijn, de LDL-c < 1,3 g/l, de HDL-c > 0,35 g/l en de triglyceriden < 2 g/l. Maar vooral de combinatie van cholesterolafwijking + afwijkingen wat de andere risicofactoren betreft (hoge bloeddruk, zwaarlijvigheid, zittend leven, roken, diabetes) zal de evaluatie van het globaal cardiovasculair risico mogelijk maken. De medische wereld beschikt intussen over middelen om dat globale risico in te schatten; deze middelen werken uitstekend en maken het mogelijk de doeltreffendste aanpak voor te stellen. Aangezien onze voeding over het algemeen te vet is, ligt terugkeren naar gezondere, minder vette eetgewoonten voor de hand. Concreet betekent dit niet alleen minder vetten opnemen maar ook of vooral dierlijke vetten vermijden (vlees maar ook boter, volle melkproducten, kaas, gebak) evenals vetten die bij kamertemperatuur nog hard zijn (boter, bepaalde margarines). Deze zogeheten verzadigde vetten verhogen het cholesterolgehalte. Wel aanbevolen (maar zonder overdaad, want het globale vetverbruik beperken blijft de hoofdbedoeling) zijn plantaardige oliën en zachte margarines die het cholesterolgehalte doen verlagen.

De kernboodschap

Voor primaire preventie is het cholesterolgehalte van het bloed niet meer dan een cijfer. Om te weten of dat gehalte voor u een risico inhoudt en om te bepalen welk gehalte voor u het heilzaamst zou zijn, moet u rekening houden met het geheel van wijzigbare en niet-wijzigbare risico’s, aangezien ook factoren als leeftijd en geslacht meespelen bij de berekening van het globale risico.
Om u een idee te geven: van alle 35- tot 84-jarigen in België – en dat zijn er ongeveer 5.500.000 – zijn er zowat 1.700.000 bij wie het risico dat ze binnen de 10 jaar een cardio- of cerebrovasculair accident krijgen meer dan 15% bedraagt. Voor 350.000 mensen bedraagt dat risico zelfs meer dan 30%.
Download
Cholesterol - Duidelijke Antwoorden
Standpunt van de Liga
Legale infoVersion française Designed by Walking Men